Van Nederlandsche Koloniale Petroleum Maatschappij tot STANVAC.
- door G.J. de Boer & A.A. Visser -
In 1926 begon de N.V. Nederlandsche Koloniale Petroleum Maatschappij, een in 1912 opgerichte dochtermaat-schappij van de Standard Oil en Socony Vacuüm Corporation met het uitoefenen van de tankvaart tussen Singapore en de Oostindische oliehavens Palembang en Soengei Gerong op Sumatra, waar de Standard Oil concessies had.
De direklie werd gevoerd door F.J.E. en A.C.H. Horstmann, doch de plaats van de eerstgenoemde werd in 1929 in-genomen door de heer B. Klaare.
In oktober van dat jaar kwam de stoomtanker „Talang Akar" (I) in de vaart, terwijl drie jaar later de tanklichter „Mambang" (I) en de stoomtanker „Soengei Gerong" werden aangekocht. De „Soengei Gerong" was oorspronkelijk de Duitse „Pawnee' van de Deutsch Amerikanische Petroleum Gesellschaft te Bremen, die op 4 december 1919 als gevolg van het Verdrag van Versailles aan de USA moest worden uitgeleverd.
De „Mambang" (I) vervoerde, gesleept door een N.I.S.H.M.-sleepboot voornamelijk olie van de Musi naar Singapore.
In juli 1930 kon de N.K.P.M.-vloot verder worden uitgebreid met de nieuwgebouwde „Pendopo" (I).
Toen de „Soengei Gerong" op 14 december 1932 in de Moesi rivier nabij Palembang vast liep en met grote moeite door de N.I.S.H.M. sleepboten „Kraus", „Ciska" en „Tata" weer vlot gesleept kon worden, bleek de twintig jaar oude stoomtanker niet meer te herstellen, waarna hij in Shanghai werd gesloopt. Als vervanging werd een tanker overge-nomen van de Venezolaanse vestiging van de Standard Oil en dit schip kwam vervolgens als „Djirak" (I) onder Ne-derlandse vlag.
Op 7 januari 1935 werd de naam van de rederij N.V. Nederlandsche Koloniale Tankvaart Maatschappij met als direk-
teur de heer Mr. J.H. Westerman. Tevens kreeg de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij opdracht voor de bouw
van een 6.000 ton D.W. tanker. In de zomer van 1935, op 17 augustus, werd deze tanker als „Benakat" (I) te water gelaten en de overdracht volgde op 14 september. Zo beschikte de N.K.T.M, over een vloot van vier stoomtankers, totaalca. 20.500 ton D.W. metend, alsmede een sleeplichter van 1.240 ton D.W.
In september 1939 werden de „Djirak" (I) en „Pendopo" (I) door de Koninklijke Marine gevorderd en als „Tan 3" en „Tan 4" als vloot tankers in gebruik genomen. Na de Japanse aanval op Pearl Harbour op 7 december 1941 ver-plaatste het oorlogstoneel zich ook naar het Verre Oosten. Binnen drie maanden was geheel Oost-Indië door de Japannersbezet en bijna de gehele N.K.T.M.-vloot ging daarbij verloren. De „Djirak" (I) (Kapt. L. Kruithof) werd op 7 januari 1942tijdens de reis van Balikpapan naar Soerabaja ten zuidoosten van Kangean door de Japanse onderzee-boot „I 157" tot zinken gebracht. De „Talang Akar" (I) en „Pendopo" (I) werden op 2 maart 1942 op de rede van Soe-rabaja door eigen bemanning tot zinken gebracht om te voorkomen dat beide tankers in Japanse handen vielen. De twee tankers zijn echter na de capitulatie van Java door de Japanners gelicht en weer in dienst gesteld. Zowel de „Talang Akar" (I) als de „Pendopo" (I) zijn tijdens de oorlog in Japanse dienst verloren gegaan. De „Mambang" (I), die in maart 1942 in Nederlandsch-indië is achtergelaten, werd na de oorlog niet meer teruggevonden, zodat we mogen aannemen dat deze lichter in Japanse dienst verloren gegaan is.
De modernste tanker van de N.K.T.M., de „Benakat" (I), kon op 28 februari 1942 met de K.P.M.-schepen „Van Goens"
en „Van Spilbergen" uit Tjilatjap vertrekken, waardoor deze schepen het inferno in de Oost ontsprongen. Ruim een jaar later, op 20 mei 1943, ging de ,,Benakat" (I) tijdens een reis van Kaapstad naar Baltimore op de Atlantische Oceaan na torpedotreffers van de Duitse onderzeeboot „U 197" verloren. De „Benakat" (I) (Kapt. C.J. Grootes) was op 8 mei 1943 in konvooi vertrokken uit Durban. De elfde werd het konvooi verlaten, waarna de tanker alleen varend op 20 mei werd getroffen door een torpedo, die zware schade aanrichtte. Onmiddellijk kreeg de „Benakal" (I) zware slagzij over stuurboord. De bemanning ging in de reddingsboten en zij hadden juist het schip verlaten toen de „Benakat" (I) door een tweede torpedo getroffen werd. De tanker brak door midden en de „U 197" kwam boven water om nog enkele schoten af te vuren. De schipbreukelingen in de reddingsboten zetten koers naar Ascencion waar men zich 280 mijl ten noordoosten van bevond. Zij werden echter opgemerkt door overvliegende Amerikaanse vlieg-tuigen, die een patrouillevaartuig naar de plaats van de ramp dirigeerde. De gehele bemanning werd op 22 mei op Ascencion geland.
Evenals de P.I.M. bezat de N.K.T.M, geen schepen meer. Eerst in 1947 kon de wederopbouw ter handgenomen worden onder leiding van de heer Jhr. H.A. van Karnebeek. In Australië kon een kleine 232 ton D.W.T. motor-lichter wordengebouwd, die in de vaart kwam als „Tandjong Oedan". In april van datzelfde jaar werd dit tankertje omgedoopt
tot ,.Mambang" (II) toen de eerste „Mambang" niet meer boven water kwam.
In oktober en november 1947 konden vier ca. 4.000 ton D.W. metende tankers van het type T1-M-BT2 worden aan-geworven in de V.S. Deze schepen kregen de namen van de verloren gegane tankers en wel ,,Pendopo" (II), „Benakat" (II), „Djirak" (II) en „Talang Akar" (II).
Op 23 juni 1947 werd de naam van de rederij veranderd in N.V. Standard Vacuüm Tankvaart Maatschappij en dit had
o.a. tot gevolg dat in 1948 de vier T l-tankers het prefix „Stanvac" kregen. In september 1948 konden nog twee klein-ere standaardtankers van het type T1-M-A2, elk 1.500 ton D.W. metend, worden aangekocht. Zij kregen de namen „Stanvac Selo" en „Stanvac Ogan". Van het type T1-M-BT2, het grootste type kusttanker, zijn er 20 gebouwd; van het type T1-M-A2, ook wel de Sequatchie-klasse genoemd, in totaal 32.
In 1956 bouwde de Osaka Shipbuilding Co. voor de Standard-Vacuüm een dubbelschroef-sleepboot en twee sleep-
lichters, t.w. de „Stanvac Liric" en de , "Stanvac SPB 1" en „2". De sleepboot is kort na de overdracht omgedoopt tot
,,Stanvac Buatan".
De Rotterdamse rederij Gebr. van Uden, die sedert 1948 met drie tankers van het type T1-M-BT2 eveneens de tank-
vaart in Indonesische wateren uitoefende, droeg in 1958 zijn gehele tankervloot over aan de Standard-Vacuum. Deze
T1-tankers, die onder de namen „Tankhaven I", „II" en „III" voeren, werden zonder naamswijziging bij de Standard-
Vacuumvloot ingelijfd. Al in 1957 begonnen de politieke omstandigheden in Indonesië te verslechteren en uiteindelijk
leidde dit tot het verdwijnen van de Nederlandse scheepvaart uit de Indonesische wateren. De gehele S. V.T.M.-vloot
mocht in 1959 niet meer in de Indonesische wateren varen en er bleef niets anders over dan de schepen te vervlag-gen of te verkopen. De zeven T1-M-BT2 tankers zijn daarop ter beschikking gesteld van de Panamese Petroleum
Shipping Services Co. Inc., evenals de twee T1-M-A2 tankers en de sleepboot „Stanvac Buatan". De drie ex-Van
Uden tankers kregen met de Panamese registratie ook namen met het prefix ,,Stanvac" t.w. „Stanvac Alor", „Stanvac Sunda" en ,,Stanvac Sumba". De motor-tanklichter ,,Mambang" (II) werd naar Bangkok verkocht en de twee sleep-lichters „Stanvac SPB l" en „2" verdwenen naar India.
De naam van de maatschappij werd per 22 mei 1959 omgezet in Standard Vacuüm Petroleum Transport N.V. en
op 1 januari 1960 werd de naam kort maar krachtig: "Stanvac N.V". Deze N.V. oefende het rederijbedrijf uit met an-dere dan eigen schepen en was aktief op het gebied van groothandel en industrie, alsmede het verlenen van dienst-en. Bovendien bestond de mogelijkheid om deel te nemen in andere bedrijven. Als zelfstandige Nederlandse rederij was de Standard-Vacuum na ruim 32 jaar opgehouden te bestaan.
|